Omschrijving:
Tussen Alexandrie en Londen
Louis Couperus
Uitg. Veen, hardcover met stofomslag.
Oktobernacht over den Syrischen grens van Egypte, tegen het einde der XXXIIIste Dynastie, in den jare 706, Romeinsche jaartelling; later, 48 voor Christus, Christelijke jaartelling. Uitstraling van zilverglans; de maan rijst in het Oosten. Sterren in wolkenloozen hemel.
Een paleis; wachten. Het paleis is een oud, laag Syriesch gebouw, wit gepleisterd. Twee groepen: ter eene zijde beschouwen de officieren het dobbelspel van hun hopman, Belzanor, een krijgsman van vijftig, speer rustende op den grond en tegen zijn knie; hij buigt zich over de dobbel steenen, die hij schudt en werpt, in spel met een jongen, Perzischen krijgsman van sluw uiterlijk. De andere groep is verzameld om een soldaat van de wacht die een grap heeft verteld, en lachen luid. Zij zijn ongeveer twaalf in aantal, allen zeer voorname, jonge, Egyptische officieren van de Koninklijke Lijfwacht, schitterend van wapens en wapenrusting; hun uiterlijk is trotsch oorlogszuchtig, vol militaire eigenwaarde.
Belzanor is een typische veteraan, taai en doorzettend; vlug, geschikt en handig, waar spierkracht genoeg is; kinderlijk en hulpeloos in andere gevallen: een echte "onderofficier" maar, een ontoerekenbare veldheer, een betreurenswaardige dictator. Hij is eigenlijk te beklagen, in aanmerking genomen, dat Julius Caezars leger Egypte binnen trekt. Hij weet dit niet, is vol aandacht voor zijn spel met den Pers, dien, vreemdeling, hij wel in staat acht, valsch te spelen.
|