Boek details
Auteur Braasem W.A. en De Ruyter H.O.J.
Stop dit item in uw winkelmandje
Titel Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was.....
Druk 1e
Jaartal 1980
Bladzijden 245
Categorie topografie
Prijs € 20,00

Omschrijving:

Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was.....

Beelden uit een verklonken verleden (1800 - 1950)

W.A. Braasem en H.O.J. De Ruyter de Wildt

Uitg. Edecea, hardcover met stofomslag, geillustreerd.

Ter inleiding
In het begin van de jaren veertig verscheen van de hand van de Oostenrijkse cultuurhistorica Ann Tizia Leitich een driedelige geschiedenis van Wenen die loopt van de 18e eeuw tot aan de aanvang van de onze. Het eerste, aan het 18e-eeuwse Wenen van Maria Theresia gewijde deel, kreeg de titel "Vienna glori­osa" ; daarop volgde "Wiener Biedermeier" met de geschiedenis van de stad in de eerste decennia van de negentiende eeuw, en tenslotte het laatste deel, dat een beeld oproept van het Wenen van de tweede helft van de negentiende eeuw, een stad die uiterlijk nog de tekenen draagt van vroegere grootheid en bloei, maar die innerlijk reeds de kiemen van de ondergang in zich bergt, die tenslotte zullen leiden tot de ondergang als metropool van Midden-Europa, samen met de in­eenstorting en uiteenval van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie.

Het is aan dit deel dat Ann Tizia Leitich de titel gaf:
"Verklungenes Wien". Het zou bepaald wat over­dreven en hoogdravend zijn om tussen het keizerlijke Wenen van Franz-Josef en het 19e-eeuwse Hoorn een rechtstreekse vergelijking te willen trekken. En toch hebben, blijkens de ondertitel van dit boek: "Beelden uit een verklonken verleden", de auteurs bij hun titelgeving niet alleen voor een deel leentjebuur gespeeld bij de Oostenrijkse cultuurhistorica, maar ook de ontwikkeling van de beide steden biedt, hoe­zeer verschillend ook, bepaalde paralellen die des te opmerkelijker zijn naarmate tegenwoordig tussen Wenen en Hoorn natuurlijk geen enkel verband meer te leggen valt.

Beleefde Wenen zijn grootste luister in de eeuw van keizerin Maria Theresia, om vervolgens in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw, ondanks een aanzienlijke toename van de bevolking, steeds meer te "verklinken" tot een Europese "Grossstadt" van de tweede rang, bij Hoorn is de bloei als belang­rijke haven- en handelsstad van de jonge Republiek vroeger te situeren, in de zestiende en in de eerste helft van de zeventiende eeuw.

Door een samenloop van verschillende oorzaken ziet de stad in de loop van de negentiende eeuw haar oude aanzien als rijke zeestad dan echter allengs verijlen tot de louter plaatselijke roep van een klein provincie­stadje, waar de cosmopolitische bedrijvigheid van zee­vaart en internationale handel heeft plaats gemaakt voor de boerse drukte van vee- en kaasmarkten.

"Gone are the days" - zo zou men het Amerikaanse liedje kunnen citeren - dat de dreunende salvo's der saluutschoten van de uit de oosterse sprookjeswereld binnenvallende retourvloten over de stad rolden. Dat de graanhandel op de Oostzee, die de stad rechtstreeks tot een factor in de internationale politiek maakte, schatten in het land bracht. Dat de penetrante reuk van het traan der walvisvaarders van Spitsbergen zich mengde met het zware aroma van de Indische spece­rijen. En dat de Gecommiteerde Raden van het pron­kerige Statencollege aan -de Roode Steen een toonaan­gevende rol speelden in de vergaderingen van de Staten van Holland aan het Binnenhof in Den Haag, het regeringslichaam dat praktisch de politiek bepaal­de van de grote mogendheid die de Republiek in het Europa van die dagen nog was.
In de periode waarover dit boek handelt, zijn die dagen inderdaad voorgoed voorbij. Hoorn is het stille stadje aan de Zuiderzee geworden, schilderachtig en pittoresk, maar buiten de nog bewaard gebleven histo­rische gebouwen in geen enkele levende relatie meer te brengen tot het Hoorn van de 16e en 17e eeuw. Het is de tijd waarin deze Zuiderzeestadjes tot de "villes mortes" van de door Nederland reizende 19e ­eeuwse Franse schrijver en kunsthistoricus Henri Havard zijn geworden. Met verve bezongen en be­wonderd, maar vergeleken met de vroegere welvaart en levendigheid tot bijkans volledige onbeduidend­heid vervallen.
Het moet een stil en rustig stadje zijn geweest, dat Hoorn uit de negentiende eeuw, zoals dat uit de in dit boek gereproduceerde oude foto's voor ons oprijst. Dromerige huizenrijen, zeker in de eerste helft van de eeuw nog opmerkelijk gaaf in hun 17e- of 18e-eeuwse karakter, langs de met hobbelige kinderhoofdjes geplaveide straten of zich spiegelend in de voor een deel nog ongedempte grachten.
De twee fraaiste poorten van de stad, de Oude Ooster­poort bij de huidige brug bij de Bossuhuizen en de Koepoort bij de Koepoortsweg, nog geheel intact en waarvan vooral de laatste met zijn bekroning van leeuwen, liggende koeien en een vergulde Pomona­figuur aan de wallen van Hoorn een karakteristiek accent zal hebben verleend.
.....................................................
Scans (klik voor een grotere afbeelding)

Braasem W.A. en De Ruyter H.O.J., Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was..... Braasem W.A. en De Ruyter H.O.J., Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was..... Braasem W.A. en De Ruyter H.O.J., Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was..... Braasem W.A. en De Ruyter H.O.J., Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was.....