Omschrijving:
Molens in Noord-Holland in oude ansichten
H.A. Visser
Uitg. Europese Bibliotheek, hardcover, geïllustreerd.
INLEIDING
Noord-Holland is een provincie die bijzonder rijk aan molens is geweest. Bijna elk dorp had een eigen korenmolen en de meeste zelfs meer dan één. Uit een opgave van 1871 blijkt dat van de 74 gemeenten er 70 één of meer korenmolens hadden, in totaal in dat jaar 153 stuks. Hier werd het graan gemalen, hetzij voor de bakkers, hetzij voor de meelwinkels, hetzij voor de consumenten. Op vele plaatsen was het de gewoonte het meel in de meelwinkels te kopen, daarvan het eigen deeg te kneden en dit dan tegen een geringe vergoeding in een bakkersoven te plaatsen. Vele ingezetenen bakten toen nog hun eigen brood.
Maar, belangrijker nog dan de korenmolens zijn in Noord-Holland de industriemolens geweest. Reeds in de zestiende eeuw bestond er een drukke scheepvaart tussen de Zaanstreek en de landen rondom de Oostzee. Men bracht er, behalve vis, allerlei artikelen en fabrikaten en haalde er granen als tarwe en rogge en zaden als raap- en hennepzaad vandaan. De handel in buitenlandse granen en zaden breidde zich daardoor ook meer en meer uit.
De Zaanstreek, waar de talrijke sloten en vaarten die in de Zaan uitkomen, gelegenheid gaven tot een gemakkelijke en snelle aanvoer van de grondstoffen en afvoer van het afgewerkte produkt, werd dankzij de windmolens een industriecentrum bij uitnemendheid. Daarbij kwamen nog de gunstige ligging van de Zaanlandse dorpen ten opzichte van het IJ en Amsterdam en vooral de vrijheid, die niet door keuren of gilden werd beperkt. Vrijwel alles wat met windkracht kon worden gefabriceerd, werd door de Zaanstreek geleverd. Het belangrijkst waren de houtzaag- en de oliemolens, vervolgens de pel-, de papier-, de verf-, de vol-, de snuif-, de mosterd-, de cacao-, de krijt- en nog enkele minder voorkomende molens. Van de enorme bloei die handel, nijverheid, scheepvaart en visserij daar hebben beleefd, kan men zich slechts met moeite een voorstelling vormen.
|