Omschrijving:
Langs Tijgerpaden
Denninghoff Stelling Lex
Uitg. Moesson, softcover, geillustreerd.
VOORWOORD
Er is maar één vorm van jagen: weidelijk jagen. Al het andere is geen jagen.
Er is maar één filosofie van het jagen, "Het geluk van het Jagen", zoals de wijsgeer Ortega Y Gasset het ontsluierd heeft.
Er is maar één "Jacht der Koningen" en dat is de Tijgerjacht. Ander wild "komt voor de loop" zoals dat heet. De jacht daarop heeft een bepaalde eenvoudige techniek. De Tijger is altijd onvindbaar, onzichtbaar. Hij kan tien pas van de jager urenlang in het gras liggen, zonder zich te verroeren, in staat om snel te doden en hij doet het niet. Of wèl. Al naar Zijne Majesteit het wenst. Hij is niet op te sporen. Hij komt midden in een riettuin opeens om de hoek, kijkt u aan en maakt rechtsomkeert. Of is in één sprong van dertig voet op uw nek. En breekt die. Als Zijne Majesteit het wil. Hij wandelt door koffie-ondernemingen en komt in dorpen. Hij hoeft niet te wachten op een argeloos mens, maar valt woningen op palen aan, ranselt ze aan flarden en néémt zijn maaltijd. Als Zijne Majesteit het wil. Hij heeft hele streken ontvolkt, halve dorpen verslonden. Hij ligt uren te kijken naar een detachement wegwerkers, kiest met zorg één uit, en rooft hem weg uit de formatie. En hij ziet een weerloze vrouw langs een bospad komen. En doet niets. De Tijger staat boven elke techniek.
De stem van de Tijger kan zijn als de stem van de Sambar, 't hert. Zó identiek dat het verschil niet te beschrijven is. Maar wie die stem hóórt, wéét dat Hij het is. Hij brult hoogst zelden, maar wie hem alleen maar heeft horen ademhalen bij zijn slaapkamerraam, weet hoe de Gestreepte terreur kan emaneren! De Tijger zoals hij is, is in Europa onbekend. De in beschavingscentra waargenomen .........
|