Omschrijving:
Het Kwartier van Zutfen(serie Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst) (Zutphen)
Dr. E.H. ter Kuile
Uitg. Staatsdrukkerij, hardcover met stofomslag, geillustreerd
INLEIDING
GEBIED
Het gebied dat in dit deel wordt behandeld is het oostelijk deel van de provincie Gelderland, begrensd door de Rijn, de IJsel, de provincie Overijsel en Duitsland.
STAATKUNDIGE GESCHIEDENIS
Litteratuur: H. G. Harkema, De betrekkingen van het bisdom Munster tot de Nederlanden enz., Gelre 19o4 blz. 1; Th. Ilgen, Quellen zur Geschichte der Rheinischen Territorien, Herzogt-um Kleve, I, i (1921), blz. 37s (Drostamt Liemersch); A. H. Martens van Sevenhoven, Eenige opmerkingen over de vorrning van het graafschap Gelre, Gelre 1933 blz. 1; J. N. Bakhuizen van den Brink en B. Stegeman, Het Ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap 1E62-1612, hoofdstuk I; B. H. Slicher van Bath, Mensch en Land in de Middeleeuwen, I, 1944, biz. 228 vlgg.
Het gebied van het Kwartier van Zutfen beslaat een groot deel van het oude graafschap of de gouw Hamaland, waarvan verschillende oorkonden tussen midden IX en midden XI melding maken, en dat zich van Salland zuidwaarts langs de IJsel tot de Rijn bij Zevenaar uitstrekte. In dit Hamaland was een graafschap gelegen dat koning Hendrik III in 1046 aan de kerk van Utrecht ten geschenke gaf met de stad Deventer. Het graafschap dat in 1046 aan de bisschop kwam omvatte in Overijsel de omgeving van Deventer en in Gelderland het gebied van de kerspelen Gorsel, Almen, Lochem, Zutfen, Warnsveld, Wichmond, Steenderen en Brummen.
In XI B komen heren van Zutfen voor, later graven geheten, wier heerlijkheid of graafschap vrijwel overeenkomt met het 'gebied der juistgenoemde Gelderse parochies. Er bestaat een mogelijkheid dat de macht der heren of graven van Zutfen zich ook nog uitstrekte tot de Oude IJsel bij Doesburg en Deutekom, maar dat is op zijn minst genomen toch twijfelachtig.
Men neemt aan dat het graafschap Zutfen door huwelijk voor eind XII aan de graven van Gelre is overgegaan, wier bezittingen destijds nog geenszins een aaneengesloten geheel vormden.
Op den duur verwierven de graven van Gelre steeds meer bezittingen om de graafschap Zutfen. Indien de oude graven van Zutfen hun gebied nog niet tot de Oude IJsel hadden uitgestrekt, moeten hun opvolgers al spoedig uitbreiding in die richting hebben verkregen, zodat Otto II in '232 zekere rechten kon verlenen aan de inwoners van Does-burg.
Van machtsuitbreiding in het oosten verneemt men het eerst wanneer Hendrik, beer van Borkelo, in 1236 zijn allodiale hof te Groenlo aan juistgenoemde Otto II in leen opdraagt. De banden tussen de heren van Borkelo en de graven van Gelre zijn zeer wisselend geweest. Zo droeg Gijsbert II van Borkelo in 1406 zijn burcht te Borkelo aan de bisschop van Munster op. Munsterse aanspraken op Borkelo bleven sindsdien in concurrentie met de Gelderse bestaan en zijn eerst in 1674 vereffend.
Voorts breidde de macht van de Gelderse graven zich in oostelijke richting uit met het gebied van de heerlijkheid Bredevoort, hetgeen gepaard ging met eindeloze verwikkelingen en krijgsbedrijven op grote schaal.
Het begin schijnt te zijn geweest dat graaf Herman van Loon in 1246 het slot Bredevoort of althans een aandeel in de allodiale eigendom daarvan aan meergemelde Otto II van Gelre opdroeg om het in leen terug to ontvangen. Eindelijk werd in 1316 een verdrag gesloten waarbij de bisschop van Munster Bredevoort en zijn borglenen aan graaf Reinald II van Gelre afstond en hem bovendien de gerechten van Winterswijk, Aalten en Dingsperlo in pand gaf. Op een of andere wijze hadden de graven van Gelre ook aanspraken op de heerlijkheid Lichtenvoorde verworven, welke tevens door de bisschoppen van Munster werd opgeeist.
In 1312 werd de twist over Lichtenvoorde ten gunste van Gelre opgelost.
Onduidelijk is het hoe de graven van Gelre hun gezag hebben uitgebreid zuidwaarts van de IJsel, in de oude gouty Leomerike, die ongeveer overeenkwam met wat later onder de Liemers en de heerlijkheid Berg werd begrepen. Er zijn Been sporen van oud-Gelders familiebezit ten zuiden van de Oude IJsel, maar toch oefenden de Gelderse landsheren sinds begin XIV grafelijke rechten uit in deze streek en in Emmerik. Door verschillende overeenkomsten van pandschap en afstand gingen Emmerik, Zevenaar, Didam, Weel, Groesen en Duiven in de latere XIV en XV verloren aan de hertogen van Kleef. Met uitzondering van Emmerik keerden deze kerspelen in 1816 tot Gelderland terug.
In het eind van de 14e eeuw treden in zaken van algemeen bestuur over het hertogdom Gelre vier „hoofdsteden" op als invloedrijke raadgevers. Het zijn Nijmegen, Roermond, Arnhem en Zutfen. Vervolgens ontstaan vier landskwartieren die naar deze hoofdsteden worden genoemd en die een beperkte mate van autonomie bezitten zodat zij eigen belangen op landschapsvergaderingen kunnen behartigen. Een van die distrikten is het Kwartier van Zutfen.
Na de ondergang van de Republiek vervielen de kwartieren als bestuurseenheden en daarmee raakten hun namen in onbruik. Wat vroeger het Kwartier van Zutfen was wordt sindsdien meestal aangeduid als de Graafschap-en-de-Liemers, of minder correct als de Gelderse Achterhoek.
|