Omschrijving:
Geschiedenis van de Hoge en Vrije Heerlijkheden van Noordeloos en Overslingeland
M.W. Schakel
Gedrukt bij J. Noorduijn @ Zn, hardcover.
1. DE NAAM NOORDELOOS
Een betrouwbare verklaring voor de naam van ons dorp heb ik nergens kunnen vinden. Hij komt in officiële stukken voor het eerst voor omstreeks 1300, en wordt dan alleen betrokken op de Noordzijde. Jan van Arkel, die in 1319 vermeld wordt (van Mieris, Charterboek, deel II, bldz. 225) noemde zich volgens Ramaer in zijn werk: Holland bezuiden de Lek (bldz. 279-280), Jan I van Noordeloos. Ook lezen we reeds vóór 1300 van een zekere Rycout van Noordeloos. Vanzelfsprekend kan de naam veel ouder zijn, ik houd dat zelfs voor waarschijnlijk, immers de bewuste Jan zal zich wel een bestaande aardrijkskundige naam aangemeten hebben. Teixeira de Mattos maakt in zijn werk „De waterkeeringen, waterschappen en Polders van Zuidholland" (deel IV(1), afd. II, pagina 115) zeer terecht scheiding tussen „het eigenlijke Noordeloos of Noordzijde" en de drie andere polders, die in stukken uit die dagen steeds hij hun eigen naam (Botersloot, Grootewaard en Slingeland) genoemd worden.
De vier stukken (polders) waaruit de hoge Heerlijkheid bestond werden ook afzonderlijk in leen uitgegeven. Eerst toen de van Arkels het veld moesten ruimen (1412 val der van Arkels) kwamen de vier polders als hoge Heerlijkheid in één hand.
De huidige burgerlijke gemeente Noordeloos moge de vier polders omvatten, voor de verklaring van de naam Noordeloos, hebben we er van uit te gaan, dat Noordeloos en Noordzijde synoniem zijn.
Nu doet zich de eigenaardigheid voor, dat het oude veenriviertje, dat door het dorp slingert, de Noordeloos heet. Typisch is — doch dit slechts tussen haakjes — dat deze naam niet algemeen gebruikt wordt. De inwoners noemen het de Boezem en vreemdelingen spreken van de Giessen. De officiële naam van het water tussen de oude Homedamme — ter plaatse van de tegenwoordige Slingelandsche brug(?) — en het beginpunt bij den Dool is echter : de Noordeloos.
De veronderstelling, dat óf het dorp de naam aan het watertje ontleend heeft, M dat zich het omgekeerde heeft voorgedaan, lijkt mij niet te stoutmoedig.
Intussen heeft ons dat de verklaring van de naam op zich zelf nog niet gebracht, hoogstens brengt deze omstandigheid de zaak wat dichter bij de oplossing.
Als ik kiezen moet tussen de twee veronderstellingen, dan kies ik met grote beslistheid voor de verwachting, dat het dorp de naam aan het riviertje ontleend heeft.
In de eerste plaats was dit er veel eerder dan het dorp. Vink, die deze omgeving verkend heeft, schrijft in zijn dissertatie „De Lekstreek", dat de Noordeloos een oud veenriviertje is. Ik aanvaard dit op zijn gezag gaarne.
In de tweede plaats zijn er vele plaatsnamen bekend, die aan een rivier, een beek, een stroompje in de omgeving ontleend zijn, maar van het tegenovergestelde is mij geen voorbeeld bekend. Het is, gezien de omstandigheid, dat eerst de wateren er waren en eerst later de plaatsen, ook zeer logisch. Voor voorbeelden behoeven we niet ver uit de buurt te gaan : Giessendam (dam in de Giessen), Alblasserdam, Oud-Alblas, Nieuw-Lekkerland (de Lek), Lexmond (een voorbeeld hoe omzichtig men in dezen te werk moet gaan: Lexmond heeft niets met de Lek te maken, alhoewel het er aan ligt, maar is afgeleid van Laxemunde, de mond van de Laak, een riviertje in het tegenwoordige Lakerveld, welke laatste naam er eveneens op duidt), Leerdam (dam in de Lea, een
riviertje, dat uit de omgeving van het huidige Leerbroek ( !) stroomde).
Het lijkt mij dan ook de veiligste weg aan te nemen, dat het dorp Noordeloos genoemd werd naar het riviertje de Noordeloos.
Blijft echter nog steeds onze taak deze naam te verklaren. En nu komen we op glibberig terrein. Het lijkt soms zo voor de hand liggend, (het voorbeeld van Lexmond aan de Lek is er om het te bewijzen) en toch slaat men zo gemakkelijk de plank mis.
Zij, die met etymologie wat op de hoogte zijn, weten dat het vaak meer gelijk dan eigen heeft. Wie zou er bij oppervlakkige beschouwing op komen dat het ijsvogeltje niets met ijs maar wel wat met ijzer te maken heeft, dat men bij _bloedje" van een kind niet aan ons lichaamsvocht, maar aan blut ( -= oorspronkelijk; bloot) moet denken; dat de man, die te diep in het glaasje keek en dus de volgende morgen met een kater opstaat, niet boos behoeft te kijken naar het gelijknamige dier, maar een „ziekte" heeft, die wat met catarrh te maken heeft; zondvloed komt niet van zoode maar van sint = algemeen; dus niet: vloed wegens de zonde, maar : algemene, grote vloed; dat men in de loop der jaren van sintvloed, zondvloed maakte en daarbij dacht aan de grote zonden van Noach's tijdgenoten, is een verschijnsel, dat onder de benaming volksetymologie bekend staat. Juist bij plaatsnamen komt deze veelvuldig voor en daarom moet men met hun taalkundige verklaring zo uitermate voorzichtig zijn.
Maar nu ter zake: de naam Noordeloos.
Het eerste deel van de samenstelling (Noorde) verleidt er ons toe verband te zoeken met de gelijknamige windstreek, dit temeer waar zelfs in de oudste schrijfwijzen, de spelling Noorde of Norde is (plaatsnamen veranderen nog wel eens min of meer in der eeuwen loop en dan moet men natuurlijk dubbel voorzichtig zijn met zogenaamde voor de hand liggende conclusies).
Behalve aan de windstreek, denk ik ook aan een andere betekenis van het begrip noorden: de lage broeklanden langs de Giessen buiten de dijken en kaden, die in de Noordeloos. althans beneden de kom der gemeente, liggen. De naam schijnt in dit verband slechts regionaal voor te komen, althans in het Groot Woordenboek der Ned. Taal van van Dale vond ik hem in deze betekenis niet.
Zowel in de betekenis, windstreek, als in die van broekland, is er iets voor deze gissing te zeggen. De Noordeloos is toch het noordelijke gedeelte van de Giessen en er komen noorden in voor.
Intussen dienen mijn lezers goed te beseffen dat één en ander slechts een gissing en in genen dele een verklaring wil zijn. Met het tweede deel (loos) zit ik al even zeer, zeker, men zal zeggen, dat staat in verband met lozen, en men kan dan aanvoeren, dat een groot aantal polders op de Noorde-loos, loost (Noordzijde, Ameide en Middelbroek, Bloemendaal, Botersloot en Grootewaard, terwijl de Beemd uitslaat op de grens van Noordeloos en Giessen).
Hier ter plaatse wil men de naam dan ook wel eens als volgt verklaard zien : de polders uit het Noorden (Noordzijde, Ameide en Middelbroek) lozen op dit water.
Voor Ameide en Middelbroek gaat dit m.i. maar nauwelijks op, want die wateren eerst sedert 1305 hier uit, terwijl de naam Noordeloos omstreeks 1300 al in zwang blijkt te zijn. In oude schrijfwijzen heet het dorp vaak: Nordeloes.
|