Omschrijving:
De oesters van Nam Kee
Kees van Beijnum
Uitg. Nijgh & van Ditmar, softcover.
Mijn vorige leven eindigde in Bretteville-sur-Laize, in het paradijs van mijn ouders. Hun voormalig paradijs, moet ik zeggen. De gendarmes kwamen met een sukkelgangetje over het pad aanrijden. In hun Renault Mιgane. Natuurlijk was mijn eerste impuls vluchten, maar daarvoor was het te laat, ze hadden me gezien.
En daarbij, ik was al te ver, veel te ver uit mijn koers geraakt. Het was afgelopen.
Ze stapten vrijwel gelijktijdig uit de auto; de jongste van die twee fuckers plaatste zijn glimmende dienstschoen midden in een plas. Ik hoorde hem zachtjes vloeken. Als het een comedy was geweest, dan zou Louis de Funθs op dat moment het achterportier opengezwaaid hebben. Maar het was geen comedy.
Ze kwamen voor mij. Afgelopen. Ik wist het. Ik zag het aan hun blikken, vooral die van de oudste.
'Bent u familie van de eigenaar?'
Hij had een zwartgrijze snor en het zachte vlees rond zijn ogen was kriskras doorsneden van dunne lijntjes. 'Bent u familie van de eigenaar?'
Ik wist het.
'Nee,' zei ik, 'van de vorige eigenaars. Het huis was van ons.' 'Was?'
'Ja, vroeger.'
De jongste was inmiddels rond het huis gelopen. 'Het raam is geforceerd,' zei hij.
Hij plaatste zijn vieze schoen schuin in het gras en probeerde de modder langs de zijkant af te vegen.
'Komt u maar even mee,' zei de oudste.
Jaren geleden was er ook een wagen van de gendarmerie het pad opgereden, een Renault 19, het model waar ze toen in reden.
.
|