Omschrijving:
De levende natuur het levenswerk van Dr. J,A.C.P. Thijsse weerspiegelt in een bloemlezing
J.A.C.P. Thijsse (bloemlezing)
Uitg. Ploegsma , hardcover met stofomslag , geillustreerd
stofomslag wat beschadigd
DE NATTE WANDELING
1896
Op Hemelvaartsdag niet uit te gaan, is na de gewoonte van vele jaren ondoenlijk geworden en ofschoon het regent en de barometer in het laatste etmaal 4 mm gedaald is, laten we ons naar Abcoude brengen, om vandaar een tocht in de Ankeveense plassen te ondernemen. De grauwe lucht vertoont nergens enige afwisseling en geeft geen hoop op helder weer.
Maar de vogels geven ons een goed voorbeeld: zij laten zich door de regen niet van de wijs brengen. Ieder ogenblik weergalmen de schetterende trillers van het winterkoninkje, in elke boom slaat de schild-vink en uit de wilgen langs het Gein klinkt de nachtegaal-strophe van het roodstaartje en het innig-mooie, zielsbedroefde fitisliedje.
De bloemen gedragen zich verschillend: boterbloemen en dotterbloemen vangen de fijne zilveren regen op in hun gouden schalen, hondsdraf en dovenetel zijn ook open — hun kan de regen niet deren — alles druipt langs hun regenhoedjes af. Maar de madeliefjes zijn bijna alle gesloten en ook de paardebloemen houden hun bloemenkorfjes dicht.
De koekoeksbloem, die pas begonnen is te bloeien, blijft geopend, maar hij buigt zijn hoofdje om, zodat de bloembuis horizontaal komt te staan en de regen het weinigje honing niet bereiken kan. De meidoorn begint ook pas; zijn bloemen zijn bijna alle nog dicht: het is ook nog pas in het begin van Mei. De peren zijn geheel uitgebloeid, maar de appels prijken in volle pracht.
Langs de waterkant en in het Gein zelf beginnen zomerplanten zich te vertonen; kalmoes is al een el hoog en ook de gele lis. Fontein-kruid vormt dichte bossen in het water, waar op de bodem de grote groene plompenbladeren een onregelmatig tapijt vormen. Enkele bladen, bruingekleurd door het beschermend anthocyaan, zijn reeds bovengekomen en worden door de harde Westenwind aan hun loefzijde telkens omgekruld. In de sloot rechts van de weg groeit waterpest, verder fonteinkruid, kikkerbeet, waterranonkel: alles nog zonder bloem, de laatste heeft witte knoppen; in drie dagen bloeit die.
De regen drijft ons bij Vink binnen. In het gezellig tuinhuisje zitten we niet lang alleen, want een klein grauw vogeltje, aan de rugzijde bruin, van onderen wit, het braamsluipertje of molenaartje, komt ons begluren. Hij sluipt en draait en wendt zich nu eens in de hoge .....................................
|