Omschrijving:
't Was in Egypte
C.N. en A.M. Williamson
Uitg. Blankwaardt & Schoonhoven, hardcover, zonder jaartal, w.s. begin 1900.
Uit het engels vertaald door G. van Uildriks.
Hoofdstuk I
Het meisje en het Geheim
Spannend begon het eerst te worden in Cairo; maar misschien moest ik liever eerst vertellen, wat er gebeurde op de Lacania, tusschen Napels en Alexandrië. Gelukkig kan geen mensch verwachten van een man, die zelf in zijn bijnaam van "suffer" de grootste pret heeft, dat hij weten zal, hoe of waar een "ware historie" moet beginnen.
De groote boot voer snel weg uit de Golf van Napels en we waren al in den doorgang tusschen Capri en 't vasteland. Ik was uit den rooksalon op dek gekomen, om een laatsten blik te werpen op de arme Vesuvius, die haar bekoorlijk hoofd bij de laatste uitbarsting verloren had. Ik wandelde op en neer, uitsluitend vervuld van mijn groot geheim, het geheim, dat oorzaak was van mijn reis naar Egypte. 't Is hier de plaats niet, om te vertellen, hoe ik in 't bezit kwam van de documenten, die het geheim aan 't licht brachten, eer ik ze opzond aan Anthony Fenton in Khartoum, om hem te laten beoordeelen of die aanteekeningen werkelijk belangrijk waren, of niet. Maar die documenten waren zeventig jaar geleden in Rome achtergelaten door Ferlini, den Italiaanschen Egyptoloog, toen hij aan 't Berlijnsche Museum de schatten schonk, die door hem waren opgegraven. 't Was Ferlini, die de pyramiden plunderde in de buurt van Meroë, dat zoogenaamde eiland in de woestein, waarover in de dagen van zijn glorie Koningin Candace regeerde. Fenton, die in Khartoum in garnizoen was, en zich met ijver verdiepte in de studie van Egyptische oudheden, zond mij een opgewonden telegram, zoodra hij de stukken had doorgelezen. Ze bevestigden zekere legenden van den Soedan, waarin hij veel belang stelde. Als we die twee dingen in verband met elkaar brachten - (de legenden en Ferlini's aanteekeningen) dan geloofde Anthony stellig dat we den sleutel tot de fortuin in handen hadden. Hij vroeg dadelijk vergunning aan om te mogen graven onder den kleinen uitlooper van het gebergte, die ........................
|